23 juli 2025
Eind juli gaan de verschillende parlementen in ons land traditiegetrouw enkele weken in zomerreces. Geen vergaderingen, geen debat, tijd voor vakantie.
In de chartercollectie van de graven en gravinnen bewaard in Rijksarchief Gent duiken sporen op van vroege parlementaire activiteiten … in de zomer!
Zo is er een kwitantie uit 1287 bewaard waarin rechtsgeleerde Alain Nuz verklaart dat hij 20 ponden parisis heeft ontvangen van de graaf van Vlaanderen, via diens klerk, als vergoeding voor zijn aanwezigheid bij het winterparlement en het voorgaande zomerparlement: “pro parllamento hyemali et pro parllamento estivali inmediate precedente”. Het zegel gehecht aan de akte is licht beschadigd, maar gelukkig wel bewaard. De naam van Alain Nuz, professor in de rechten, duikt nog een aantal keren op in de bronnen, telkens wanneer hij vergoedingen ontvangt voor gelijkaardige bijeenkomsten.
Het begrip ‘parlement’ had toen een andere betekenis dan wat we daar vandaag binnen een parlementaire democratie onder verstaan. In de middeleeuwen ging het om een overleg tussen de vorst en de vertegenwoordigers van de drie standen: adel, geestelijkheid en de derde stand (waaronder de burgerij en boeren). Deze bijeenkomsten werden ook wel ‘staten’ genoemd. Daarnaast bestonden er ook vergaderingen van de vorstelijke raad of curia waarin de vorst werd bijgestaan door vertrouwelingen, waaronder hoge leenmannen, geestelijken en later ook ambtenaren en rechtsgeleerden.
Aan het einde van de 13de eeuw duiken enkele documenten op waarin melding wordt gemaakt van een zomer- en winterparlement. Wie daar precies aan deelnam, naast de vaste leden van de grafelijke raad (curia comitis), blijft vaak onduidelijk. Wel weten we dat de graaf zich in deze periode steeds vaker omringde met rechtsgeleerden, die vervolgens belangrijke functies aan het hof bekleedden. Velen onder hen waren afkomstig uit Italië of Frankrijk en hadden gestudeerd aan prestigieuze universiteiten zoals Bologna of Orléans. Behalve Alain Nuz zien we onder andere ook namen als Jan van Luceto, Hemo van Provins, en Tanusfassi opduiken tijdens de regeerperiode van Gwijde van Dampierre. Via kwitanties of betalingsbewijzen vernemen we welke som deze personen ontvingen voor hun bijdrage en aanwezigheid aan het parlement.



