8 juli 2024
De Vlaamse graven en gravinnen reisden in de middeleeuwen rond in hun eigen graafschap. Dit werd gezien als een teken van goed bestuur en zo gaven ze aan hun onderdanen de indruk van nabijheid en bereikbaarheid. In verschillende rekeningfragmenten lezen we uitgaven voor transport, meereizend personeel en onderhoudswerkzaamheden aan diverse kastelen verspreid in Vlaanderen.
In een ongedateerd rekeningfragment aan het einde van de 13de eeuw lezen we dat de graaf (vermoedelijk Gwijde van Dampierre) in één week zowel in zijn kastelen te Wijnendale (nabij Torhout), Male en Damme verbleef. Een staycation dus in het eigen graafschap! Tijdens zijn verblijf kwamen ook de graaf van Holland en de hertog van Brabant op bezoek.

Een rondreizend hof betekende ook dat kastelen sommige periodes in het jaar leegstonden en vervolgens moesten voorbereid, opgewarmd en geïnstalleerd worden bij aankomst van de grafelijke familie. Dit behoorde tot het takenpakket van de zogenoemde fourrières. Toch bleven er soms ook personeelsleden ter plekke wanneer de graaf of gravin afwezig was. Zo bleef een 13de-eeuwse namenlijst van personeelsleden bewaard ki sont demorant en l’ostel quant mes sires s’en part.
